In dit katern vind u de projecten die Privon heeft
laten uitvoeren.
Opmerking: Per januari 2009 is de kennistoets ,waarvan hieronder sprake is,
van de site gehaald.
De respons was niet van dien aard dat het zinvol was op er op deze manier mee
door te gaan.
Kenniscirculatie in de varkenshouderij
Kenniscirculatie in de varkenshouderij
Beschrijving van de wijze waarop de digitale kennistest voor ondernemers en
medewerkers in alle schakels van de bedrijfskolom tot stand is gekomen.
Gemaakt door de Projectgroep Krachtenbundeling in opdracht van de stichting PRIVON.
Voorwoord
De Projectgroep Krachtenbundeling heeft in opdracht van de Stichting PRIVON een
project gestart met als doel:
- De kennisvragen definiëren in de varkenshouderijsector ten behoeve van gezonde
sector in de komende 10 jaar. Bij deze inventarisatie dienen alle partijen in de kolom
te worden betrokken.
- Alle aanbieders van kennis op het gebied van varkenshouderij bijeen brengen, waarbij
vastgesteld wordt welke partij welk deel van de kennisexploitatie op zich neemt.
In overleg met alle relevante schakels in de bedrijfskolom is een digitale kennistest
ontwikkeld, waarin ondernemers en werknemers uit de sector kunnen bepalen hoe hun
kennisniveau is op de diverse vakgebieden. Afgezet tegen hun ambitieniveau op dat
deelgebied, kan op deze manier de kennisvraag worden vastgesteld. De ondervraagde
bepaalt dus zelf of hij een kennishiaat heeft of niet.
De digitale kennistest komt vrij ter beschikking van de geďnteresseerden. Pas in een
eventueel vervolgtraject worden kosten in rekening gebracht.
De projectgroep is de vertegenwoordigers uit de sector, die hebben meegewerkt aan
deze opdracht, dankbaar voor het aandragen van relevante kennisitems en het uittesten
van de kennistest.
Namens de projectgroep
Jan Nijholt, voorzitter
Inhoudsopgave
- Inleiding
- Kennis
- Competenties
- Kenniscirculatie
- Procesbeschrijving
- Resultaat
- Beschrijving van de kennistest
- Conclusies
- Aanbevelingen
- Bijlagen
1. Inleiding
In de notitie Kennisoverdracht ten behoeve van de Varkenshouderij van mei 2002 (zie
bijlage 1) wordt geconstateerd dat er op het gebied van kennisoverdracht een grote groep aanbieders van kennis is op een krimpende varkensmarkt.
Het gevolg is dat elke
aanbieder een eigen programma aanbiedt en daar vervolgens onvoldoende deelnemers
voor kan interesseren. Deze ontwikkeling is niet goed en het is daarom wenselijk om te
komen tot nauwe samenwerking tussen de verschillende kennisaanbieders.
In deze notitie werd bovendien geadviseerd de ontwikkeling, van kennisproducten ten
behoeve van de productiemethoden die zich de komende 10 jaar in de varkenshouderij
zullen onderscheiden, te stimuleren.
Op basis van deze aanbevelingen heeft het bestuur van de stichting PRIVON (Praktijkvoorziening
Intensieve Veehouderij Oost Nederland) in haar vergadering van 3 juli 2003
besloten een project op te starten met als doel:
- De kennisvragen definiëren die in de varkenshouderijsector ten behoeve van gezonde
sector in de komende 10 jaar. Bij deze inventarisatie dienen alle partijen in de kolom
te worden betrokken.
- Een methode te ontwikkelen waarbij ondernemers en medewerkers in de kolom op
een eenvoudige wijze hun kennis kunnen meten om van daaruit zelf kennisvragen te
formuleren.
- Alle aanbieders van kennis op het gebied van varkenshouderij bijeen brengen, waarbij
vastgesteld wordt welke partij welk deel van de kennisexploitatie op zich neemt.
Onder de regie van de stuurgroep (zie bijlage 6) zijn door de projectgroep, bestaande uit medewerkers van de verschillende onderwijsinstellingen in Oost Nederland en een
vertegenwoordiger namens de primaire sector, de volgende vragen geformuleerd:
- Welke ontwikkelingen zijn nodig voor een gezonde varkenshouderij (zowel qua houderij
als bedrijfseconomisch)?
- Welke kennisitems zijn relevant om deze ontwikkelingen goed te kunnen volgen?
- Op welke wijze kan er voor gezorgd worden dat de beschikbare kennis ook werkelijk
doorstroomt naar alle partijen in de kolom?
Om goede voeling te houden met de praktijk is een klankbordgroep geformeerd die
bestaat uit vertegenwoordigers van alle partijen die te maken hebben met de
varkenshouderij kolom.
In juni 2004 is er een vervolgopdracht gegeven aan de projectgroep.
Het eindresultaat van deze vervolgopdracht dient te zijn:
- Voor alle schakels in de varkenshouderijkolom bestaat een goede kennismeting
- Een onderzoek bij partijen in de kolom in hoeverre de kennistest ook kennisvragen
genereert.
In de projectgroep hebben de volgende partijen zitting genomen:
2. Kennis
2.1 Wat is kennis?
Kennismanagement is de zorg dat op het juiste tijdstip, op de juiste plek in het agrarisch bedrijf de juiste kennis aanwezig is en blijft. Kennis is de vertrouwdheid met informatie die een persoon in staat stelt te handelen. Kennis is dus meer dan informatie. En informatie is meer dan gegevens. Gegevens zijn objectief waarneembare zaken. “Er
zitten 4 luizen op dit blad”. Informatie ontstaat wanneer iemand betekenis toekent aan
die gegevens. “Dat zijn veel luizen” of “Dat zijn meer luizen dan we hadden verwacht
gegeven de omstandigheden”. Kennis is het vermogen op grond van informatie te handelen
op een gepaste, juiste wijze. Hiermee wordt bedoeld de wijze die het doel van de
persoon dichterbij brengt.
Iemand kan, op grond van de hiervoor verkregen informatie, een (biologisch)
bestrijdingsmiddel gebruiken omdat hij een hoge opbrengst wenst. Daarmee geeft hij
blijk van ervaring, houding en vaardigheden die hem in staat stellen de informatie om te
zetten in een gepaste handelswijze die zijn doel dichterbij brengt. En dat is kennis.
Wat abstracter gezegd:
Kennis is het product van de Informatie, de Ervaring, de Vaardigheden
en de Attitude waarover iemand op een bepaald moment beschikt:
K= I * EVA.
Iemand moet gegevens kunnen duiden of interpreteren (I) en dat kunnen
omzetten in een gepaste handelswijze (door zijn EVA).
De informatiecomponent berust vooral op weten, het kennen. Dat is vaak kennen in
relatie tot: dit is meer dan anders. Het wordt wel expliciete of encyclopedische kennis
genoemd. De EVA-component wordt wel impliciete of stilzwijgende kennis genoemd. Zij
berust op ervaringen, opgedane vaardigheden en aanwezige normen en waarden.
Gevolg hiervan is dat er nooit teveel kennis is. Er is wel (te) veel informatie. De enige
methode om “information overload” tegen te gaan is kennis te ontwikkelen!
2.2 Waarvoor is kennis nodig?
Kennis is relevant voor een goede uitvoering van bestaande activiteiten, het ontwikkelen
van nieuwe producten of nieuwe manieren van produceren. Uitgaande van de situatie
van de agrariër kunnen drie situaties worden onderscheiden:
Gangbare praktijk
Een boer of tuinder heeft kennis nodig voor zijn normale (gangbare) activiteiten. Hij
moet op de hoogte zijn van productietechnische zaken, hij moet weten welke wetten
van toepassing zijn op zijn bedrijf, hij moet weten hoe hij zijn product afzet. Deze kennis
moet actueel blijven en op peil. Hieronder valt ook de kennis over het omgaan met
zaken waar hij in de praktijk van alledag tegen aanloopt, zoals plagen in het gewas of
zieke koeien. Dit is elementaire of basiskennis, nodig voor alledaagse beslissingen.
Bijzondere situaties
Bij beslissingen die uitstijgen boven de gangbare zaken is vaak bijzondere kennis nodig.
Beslissingen zoals een grote investering, een andere teelt, een tweede tak, uitbreiding
van het bedrijf. Het zijn vaak beslissingen die effect hebben op middellange termijn.
Kennis is nodig om de effecten op middellange termijn vast te stellen en te bezien of
dat past bij de wensen en capaciteiten van de ondernemer. Dit kan gaan om een economische
doorrekening, marktverwachtingen en prognoses, structuurwijzigingen van (de
interne organisatie van) het bedrijf, personele effecten.
Deze kennis is vaak niet binnen het bedrijf aanwezig, of bij enkele grote bedrijven. Het
vergt actieve inspanning (in tijd en geld) van de ondernemer om deze kennis te verkrijgen.
De tijdshorizon is 1-3 jaar.
Strategische beslissingen
Een bedrijf kan voor de lange termijn een koers uitzetten die grote gevolgen heeft voor
de bedrijfsvoering. Het gaat dan om beslissingen die de kern van het bedrijf beďnvloeden.
Beslissingen zoals een verplaatsing, overname van andere bedrijven, rigoureuze
opschaling of een overstap naar een geheel nieuw product voor een nieuwe markt. De
horizon is hier 5-10 jaar. Kennis die hiervoor nodig is kent verschillende fasen: oriëntatie,
plannen maken en vergelijken, keuze bepalen. De ondernemer doorloopt vaak een
volledig kennistraject, waarbij hij in elke fase actief informatie vergaart, zijn eigen overtuigingen
en ideeën spiegelt en verschillende keuzemomenten heeft om wel of niet
verder te gaan.
In het kennisplan zal aangegeven moeten worden of de ondernemer weet hoe hij zijn
kennis kan opdoen bij de verschillende situaties. Maar ook of hij zich voldoende oriënteert
op de verschillende mogelijkheden zodat hij juiste beslissingen neemt over zijn
bedrijf.
2.3 Kenmerk van kennis
Kennis heeft twee kenmerken: inhoud en beschikbaarheid.
De beschikbaarheid van kennis is onder te verdelen naar vorm, locatie en tijd. De vorm
geeft aan wat de drager is van de kennis. Bijvoorbeeld mensen, een boek, of computersystemen.
De locatie wil zeggen op welke plek de kennis aanwezig is. Tijd duidt op het
feit dat kennis niet altijd voor handen is als je het nodig hebt.
De inhoud van de kennis kan niet volledig zijn, niet actueel zijn of niet uniform zijn. Niet
volledige kennis ontstaat omdat er slechts vanuit één invalshoek wordt gekeken of
geleerd. Niet actueel betekent dat kennis niet is aangepast aan veranderende omstandigheden.
Als mensen verschillende interpretaties geven krijg je niet uniforme kennis.
3. Competenties
3.1 Wat zijn competenties?
In een sterk veranderende maatschappij is kennis weer snel verouderd. De ondernemer
moet dus in staat zijn op deze sterk veranderende situaties in te spelen. Hij moet de
juiste competenties hebben.
Competentie: Vermogen om prestaties te leveren in veranderende omstandigheden.
Uitgangspunten competentie gericht onderwijs:
- Motivatie
- Eisen beroepspraktijk (contextgebonden leeromgeving)
- Integratie van kennis, houding en vaardigheden ŕ Beroepsgerichte prestaties
- Werken vanuit een geheel naar delen
- Gericht op duurzaamheid (leren leren)
Een competentie is een voortdurende groei en ontwikkeling (uitvoeren, evalueren en
reflecteren). Concrete praktijkproblemen staan hierbij centraal. Bij het oplossen hiervan
worden die competenties verkregen om in de praktijk te functioneren. Kennis is
minder belangrijk (geen voorwaarde meer om goed te functioneren in de praktijk).
In een proeve van bekwaamheid, waarin de authentieke situatie zoveel mogelijk wordt
nagebootst, moet de leerling laten zien dat hij de vereiste competenties bezit.
De docent is vooral begeleider van het leerproces. Hij biedt oefensituaties aan, helpt
bij het formuleren van leervragen, leert de deelnemer communiceren en reflecteren.
Met dit laatste wordt bedoeld, dat de deelnemer zicht krijgt op zijn eigen functioneren.
In onderstaand schema is dat nog eens weergegeven.
Om het huidige kennis/vaardigheidsniveau te bepalen kan een nulmeting nuttig zijn. Als
je ook weet wat de eisen zijn van het gewenste beroepsprofiel, kan een POP (persoonlijk
ontwikkelplan) worden gemaakt, waarin het geconstateerde hiaat wordt weggewerkt.
De scholing is daardoor vraaggestuurd. Dit is belangrijk om informatie om te zetten in kennis (kennisconstructie).
4. Kenniscirculatie
4.1 Wat is kenniscirculatie?
Een speerpunt in het kennisbeleid van LNV is het verbeteren van de kennisdoorstroming
tussen onderzoek en onderwijs op het terrein van voedsel en groen.
Binnen het thema “Kenniscirculatie” wordt kennisdoorstroming vanuit een brede en
interactieve benadering opgepakt en staat de ontwikkeling van interactieve kennisarrangementen
centraal.
Interactieve kenniscirculatie tussen onderwijs en onderzoek moet leiden tot inkorting
van de tijd waarbinnen de vernieuwende inzichten die in de wetenschap ontstaan het
onderwijs bereiken, tot verbetering van de kwaliteit van de overdracht van deze inzichten
alsmede tot bijdragen vanuit het onderwijswerkveld aan het onderzoek.
Kenniscirculatie is een strategie, een geheel aan maatregelen, gericht op het vergroten
van het rendement op de factor kennis.
Daarbij zijn twee aandachtsvelden te definiëren:
- De optimale voorwaarden realiseren waarbinnen kennis kan worden ontwikkeld en
overgedragen.
- Er voor zorgen dat de betrokkenen de vaardigheden hebben en het gedrag vertonen
om kennis aan te wenden in het eigen bedrijf.
Kenniscirculatie ondersteunt het proces van kenniscreatie en –opslag én het delen van
informatie en expertise tussen mensen(netwerken).
Het is dus niet meer zaak dat kennisinstellingen kennis aanbieden in de vorm van cursussen,
die op de plank liggen, maar dat de agrarische ondernemers met de zelfde
kennisvragen bijeen worden gebracht. Door kennisdeling is vaak een deel van de kennisvraag
al beantwoord.
Het feit dat de vraag vanuit de ondernemer komt betekent ook dat de verkregen kennis
beter blijft hangen. Om de kennisvraag (kennisarticulatie) vast te stellen, kan de ontwikkelde
digitale kennistest een nuttig hulpmiddel zijn.
5. Procesbeschrijving
Het project is uitgevoerd aan de hand van een projectplan (zie bijlage 2) dat is vastgesteld
door het bestuur van de stichting PRIVON. In dit projectplan worden de verschillende
fases van het project beschreven.
5.1 Eerste fase (oktober 2003 t/m juni 2004)
De eerste vergadering van de projectgroep vond plaats op 28 oktober 2003.
- Voorafgaand aan de oprichting van de projectgroep was er 22 januari 2003 een
bijeenkomst geweest met vertegenwoordigers uit de gehele bedrijfskolom waar een
groot aantal kennisitems zijn gescoord.
- Op 20-01-2004 zijn gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van het PVV en
een slachterij (zie bijlage 3) over de kennisitems in het tweede deel van de kolom.
- Op 11-02-2004 zijn gesprekken gevoerd met 18 vertegenwoordigers van varkensstudieclubs
uit Overijssel en Gelderland (er waren 35 studieclubs uitgenodigd)
(zie bijlage 4)
- Alle tot hiertoe gescoorde kennisitems zijn geclusterd per schakel van de
varkenshouderijkolom. Er is onderscheid gemaakt in retail, slachterij/vleesverwerker,
varkenshouders/medewerker (zie bijlage 5)
- Op basis van de hiervoor beschreven inventarisatie en clustering en principes van
competentiegericht leren is besloten om te gaan werken vanuit een zgn. kennistest ennistest
of zelfonder zelfonderzoek. zoek. Een kennistest waarbij het kennisniveau per vakgebied wordt
vastgesteld. Afhankelijk van het gewenste kennisniveau kun je dan ook kennisleemtes
vaststellen en kennisvragen formuleren.
- In een bijeenkomst met de klankbordgroep worden de kennisitems besproken en het
principe van de kennistest of zelfonderzoek besproken.
- Op 17 juni 2004 wordt een tussenrapportage gedaan aan de stuurgroep. De stuurgroep
is van mening dat de kennistest een goed middel is om de kennisvragen boven
water te krijgen. Het is echter nodig om deze kennistest uit te werken voor alle
schakels in de kolom. Bovendien is het gewenst om de resultaten hiervan te toetsen
bij alle schakels.
5.2 Tweede weede fase (september 2004 tot juni 2005)
Op basis van de vervolgopdracht is door de projectgroep het volgende besloten:
- een nadere uitwerking van de kennismeting voor de gehele kolom van de
varkenshouderij
- er worden 5 pilotprojecten uitgevoerd met partijen uit de varkenshouderijkolom,
waarin het systeem van kennismetingen wordt uitgetest.
De projectgroep heeft aan de hand van het Handboek voor de Varkenshouderij alle
relevante kennisitems gescoord en ingedeeld in dezelfde hoofdstukken als in het Handboek.
Op basis van deze items is een kennismeting geformuleerd, waarbij middels een
checklist de huidige situatie (qua kennis) is geďnventariseerd met behulp van een
aspectenlijst. In deze checklist is vervolgens opgenomen het ambitieniveau (gewenste
aanpassing) en tenslotte is opgenomen een gedeelte waarin de ondervraagde de
kennisbehoefte kan aangeven. Op deze wijze zijn voor alle 8 hoofdstukken van het Handboek
omgezet in checklisten en op deze wijze is de technische kant van de
varkenshouderijkolom volledig gedekt.
Bij deze aanpak is geen aandacht besteed aan:
- Algemene Ondernemersvaardigheden
- Strategie en managementvaardigheden
- Communicatieve Vaardigheden
- I.C.T. vaardigheden
Na deze ontwerpfase heeft de projectgroep, in november/december 2004, vijf pilots
uitgevoerd en wel met de volgende doelgroepen:
- Een studieclub van zeugenhouders, die personeel in dienst hebben
- Een studieclub van vleesvarkenshouders
- Een groep dierenartsen met de erkenning van varkenshouderij
- Een groep voorlichters varkenshouderij
- Een groep medewerkers van een accountantskantoor
Later is middels de Duitse stagiaire nog een groep van 7 varkenshouders in de
omgeving van Osnabruck aan deze pilot toegevoegd.
Uit deze pilots kwamen de volgende aspecten naar voren:
- Op deze wijze komen kennisvragen goed naar voren
- Het systeem is zeer confronterend
- De complete lijst is erg lang om in een keer te doorlopen
- De lijsten zijn niet compleet voor wat het betreft algemene vaardigheden
- Voor sommige partijen zijn de lijsten te gedetailleerd
- Voor sommige partijen zijn de lijsten niet gedetailleerd genoeg
- Het systeem kan in studieclubs zeer goed functioneren voor het bepalen van de te
behandelen items
- Het is de vraag of, met name in de primaire sector, zelfstandig invullen van de lijsten
een objectief beeld geeft
- Het is noodzakelijk om middels een brede klankbordgroep het systeem regelmatig te
updaten
- Bij het invoeren van dit systeem is overleg met de verschillende koepelorganisaties
van wezenlijk belang
6. Resultaat
Het eindresultaat van dit project is een digitale kennistest, waarin ondernemers en
werknemers uit de sector kunnen bepalen hoe hun kennisniveau is op de diverse vakgebieden.
Afgezet tegen hun ambitieniveau op dat deelgebied, kan op deze manier de
kennisvraag worden vastgesteld. De ondervraagde bepaalt dus zelf of hij een kennishiaat
heeft of niet.
In de door ons ontwikkelde methode, kan men door middel van het beantwoorden van
een aantal vragen zelf vaststellen welke kennisvragen men heeft.Voor de
overzichtelijkheid hebben wij de vragen gerubriceerd in een aantal hoofdstukken.
Op basis van het ingevulde vragenformulier kunnen wij een overzicht verstrekken waarin
duidelijk omschreven staat welke kennisvragen men heeft. Met dit overzicht kan men bij
de verschillende aanbieders gaan shoppen voor het gewenste kennisproduct.
Dit aanbod kan geschieden in de vorm van een cursus, een verwijzing naar een artikel,
een verwijzing naar een internetsite of een verwijzing naar een voorlichter van een
bepaalde organisatie. Kortom met deze methode kan men beschikken over een kennisaanbod,
dat het beste bij de vraag en de leermethode past.
De kennistest was tot januari 2009 te vinden op de website van de stichting PRIVON.
De kennistest bevat als het ware een Bedrijfs Ontwikkelings Plan waarin men zelf vast
stelt welke vaardigheden of kennis men als ondernemer of medewerker heeft en welke
behoefte er bestaat aan verbetering hiervan.
Of te wel: wat moet er gebeuren om de medewerker of de ondernemer nog beter te
laten functioneren dan wel verder te laten groeien.
In dit plan komen de volgende aspecten aan bod:
- Wat weet of kan de ondernemer of medewerker nu al?
- Wat is het te bereiken doel?
- Welke kennis en vaardigheden heeft de ondernemer of medewerker daar voor nodig?
- Hoe kan de ondernemer of medewerker dit bereiken?
Deze kennistest helpt de ondernemer of medewerker met het bepalen van het inzicht:
- op welk peil hij en zijn bedrijf nu qua vakkennis staan
- welk peil voor hem, zijn bedrijf en zijn medewerker gewenst wordt
- daarna kan er bepaald worden hoe dat doel bereikt kan worden
Omdat niet iedereen op elk onderdeel van de keten een even diepgaande kennisbehoefte
heeft, hebben we per onderdeel drie niveau's aangebracht.
- Beknopt
Deze kennistest is bedoeld voor medewerkers die voor het betreffende onderdeel
alleen uitvoerend werk verrichten of in de begeleiding van bedrijven dit onderdeel als
nevental beschouwen.
- Normaal
Deze kennistest is bedoeld voor ondernemers en medewerkers die zowel operationeel
als tactisch en strategisch werk uitvoeren in de sector.
- Uitgebreid
Deze kennistest is bestemd voor personen die specialistisch werk uitvoeren voor
het betreffende onderdeel.
In de kennistest wordt de ondervraagde middels een aantal startvragen zodanig gestuurd,
dat hij/zij alleen die vragen hoeft te doorlopen, die op dat moment voor hem/
haar van belang zijn.
Men dient, per hoofdstuk dat men wil invullen, eerst het gewenste niveau aan te geven
om vervolgens de juiste kennistest te krijgen.
De kennistest is onderverdeeld in de volgende hoofdstukken:
- Strategie en management
- Huisvesting
- Mest en Milieu
- Voeding
- Gezondheidszorg en bedrijfshygiëne
- Fokkerij
- Arbeid
- Kwaliteit varkensvleesproductie
- Welzijn
7. Beschrijving van de kennistest
De kennistest is per januari 2009 van de site gehaald, wegens te geringe respons.
8. Conclusies
Op basis van het uitgevoerde project kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
- Vraagsturing is wezenlijk bij de toekomstige ontwikkeling van kenniscirculatie
- Kennistesten zijn zeer confronterend en kunnen daardoor zorgdragen voor een
goede inventarisatie van kennisvragen
- Door te gaan werken met kennistest zal kennis veel meer als maatwerk worden
aangeboden
- Om de lijst met kennisitems up to date te houden is het belangrijk klankbordgroepen
te formeren die per deelgebied zorgdragen voor actuele lijsten met kennisitems
- In dit project is alleen aandacht besteed aan de technische kant van de
varkenshouderij. Aanvulling van het systeem met Algemene Vaardigheden is noodzakelijk
- Het is nodig een systeem te ontwikkelen waarbij men kan kiezen voor die onderdelen
die op een bepaald moment relevant zijn bij de kennisvergaring
9. Aanbevelingen
Op basis van het uitgevoerde project komt de projectgroep met de volgende aanbevelingen
aan de stuurgroep:
- Stel vast dat voor een goede kennisdoorstroming in de veehouderij vraagsturing van
wezenlijk belang is. Er zal een algemene omslag moeten komen van aanbodsgericht
naar vraaggestuurde kennisexploitatie
- Stel de resultaten van dit project beschikbaar aan de stuurgroep van het Kenniscentrum
Duurzame Veehouderij Oost Nederland (KDV O.Ned.)
- Adviseer het K.D.V. deze kennistest ook uit te voeren voor andere sectoren in de
land-en tuinbouw en de Algemene Ondernemers Vaardigheden
- Stel de resultaten van dit project volledig beschikbaar aan het project “Pep er in”
- Geef de partijen die hebben samengewerkt in dit project de gelegenheid om vanaf
heden te gaan werken met het hier ontwikkelde systeem
- Stel alle kennisaanbieders in de gelegenheid te komen tot een nauwe samenwerking
met de huidige participanten opdat de kennistest zo breed mogelijk wordt
geimplementeerd in de land- en tuinbouw
10. Bijlagen
Bijlage 1
Kennisoverdracht ten behoeve van de Varkenshouderij
De overheid
Volgens de nota “Voedsel en Groen” van het Ministerie van LNV neemt het Nederlandse
agro-foodcomplex anno 2000 een sterke positie in op de internationale markten.
Het brengt een breed assortiment van kwalitatief hoogwaardige producten voort.
Het agro-foodcomplex is op sommige punten echter kwetsbaar: de productiefactoren
arbeid en grond zijn in Nederland duur geworden.
Een aantal agrosectoren , waaronder
de varkenshouderij, is sterk afhankelijk van de doorvertaling van consumentenwensen in
het product en de productiewijze is nog niet in alle schakels voldoende ontwikkeld.
De productie is voor een groot deel aan de grond gebonden: de landbouw beheert 60%
van het grondoppervlak van Nederland en is daarmee in hoge mate medebepalend voor
de kwaliteit van het landelijk gebied, de natuur en het milieu.
In de landbouw wordt steeds meer gewerkt met ketens. De krachtsverhoudingen binnen
ketens worden in belangrijke mate bepaald door de sterke concurrentie die de
afgelopen jaren heeft plaatsgevonden in de voedings- en genotmiddelenindustrie en in
de detailhandel. Zo beheersen slechts vier retailers samen ruim 70% van de Nederlandse
levensmiddelenmarkt, zijn er nog 3 grote spelers op de zuivelmarkt en in de
vleessector en kennen we in de groente- en fruitafzet één organisatie met een groot
marktaandeel.
Naast een gestage afname van het aantal bedrijven is de toenemende diversiteit in de
bedrijfsontwikkeling de belangrijkste trend die vooral in de primaire land- en tuinbouw
zichtbaar is.
Een indeling in bedrijfstypes die we hierbij kunnen hanteren is:
- Bedrijven die voor grote markten produceren, waarop grote internationale concurrentie
plaatsvindt;
- Bedrijven die met hun productie bijzondere markten zoeken, zoals de markt voor
biologische producten, streekproducten, directe verwerkingen of verkoop aan huis;
- Bedrijven die hun activiteiten verbreden, bijvoorbeeld met natuur- en landschapsbeheer,
recreatie, zorgfuncties;
- Bedrijven die nevenbedrijf zijn, waarbij het inkomen in hoofdzaak buiten het bedrijf
wordt verdiend;
- Bedrijven die op afzienbare termijn worden beëindigd
De nota “Structuurschema Groene Ruimte 2” van het Ministerie van LNV geeft aan dat
het kabinet de kwaliteit van het landelijk gebied wil versterken. Duurzame landbouw, als
belangrijkste grondgebruiker, vervult hierin een belangrijke rol. Het kabinet wil de intensieve
veehouderij concentreren.
De intensieve veehouderij staat voor de grote opgave
om de productiemethoden aan te passen aan de wensen uit de markt en de maatschappij.
Dit leidt tot een kleinere, concurrerende en duurzame intensieve veehouderij,
met in totaal minder dieren minder milieubelasting en beter dierwelzijn. De intensieve
veehouderij is geconcentreerd in gebieden in Oost- en Zuid-Nederland. In deze gebieden
is reconstructie voorzien om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren en de milieuproblemen
op te lossen, zonder dit af te wentelen op de andere gebieden in Nederland.
De provincies geven in reconstructieplannen aan waar extensiveringsgebieden
verwervingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden komen. Het maken van de
reconstructieplannen leidt dus tot een keuze voor gebieden waar de intensieve veehouderij
de kans krijgt zich nieuw of te hervestigen en uit te breiden en gebieden waar dit
niet of in mindere mate kan.
In het structuurschema wordt ook gesproken over gebieden met een bijzondere
landschapswaarde. Hierbij wordt gedoeld op de nationale en provinciale landschappen.
Deze gebieden komen voor een deel ook voor in de reconstructie gebieden en worden
daar aangeduid als extensiveringsgebieden.
Varkenshouderij
Projecteren we bovenstaande op de varkenshouderij dan kan het volgende beeld ontstaan.
Vanuit de grote retailers zullen ketens ontstaan, waarin directe afspraken
gemaakt worden met slachterijen en mengvoederleveranciers. Waarschijnlijk zal het
hierbij gaan om een aantal verschillende ketens, gericht op de productiemethodes,
waarbij te denken valt aan de volgende indeling:
- ketens die zich richten op de export van varkensvlees en op de productie van
industrievlees, de bulkproductie, die zal plaatsvinden op grote gespecialiseerde
varkenshouderijbedrijven die een gesloten bedrijfstype kennen
- ketens die zich richten op de bijzondere markten waarbij in de varkenssector dan
direct gedacht kan worden aan de biologische varkenshouderij
- ketens die zich richten op een combinatie van primaire productie, landschapsonderhoud,
huisverkoop en wellicht als nevental nog recreatie
Daarnaast zal er een groep bedrijven blijven bestaan die hun hoofdinkomen buiten de
landbouw hebben en landbouw als neventak zien.
Een laatste groep, de groep wijkers, zal binnen afzienbare termijn, in ieder geval voor
2008 zijn bedrijfsactiviteiten stoppen en volledig verdwijnen uit de primaire productie.
Passen we de hierboven genoemde ketens en bedrijven in de gebieden die beschreven
zijn in de SGR 2 dan zal er waarschijnlijk het volgende beeld ontstaan:
- bedrijven die zich richten op bulkproductie passen goed in de landbouwontwikkelingsgebieden
- bedrijven met biologische varkenshouderij passen goed in de extensiveringsgebieden
- bedrijven met een combinatie van primaire productie en landschapsonderhoud e.d.
passen ook goed in extensiveringsgebieden
- bedrijven die hun hoofdinkomen buiten de landbouw hebben passen wellicht ook het
beste in de extensiveringsgebieden
Ingepast in de varkenshouderijgebieden in Nederland lijkt het voor de hand te liggen
dat:
- de bulkproductie vooral zal plaatsvinden in het concentratiegebeid zuid (Oostelijk
N.Brabant en Noord Limburg) en delen van het concentratiegebied oost (Oostelijk
Overijssel en Oostelijk Gelderland)
- de biologische vark varkenshouderij enshouderij vooral plaats zal vinden in de extensiveringsgebieden
in Oost en Midden Nederland
- de combinatiebedrijven vooral ook te vinden zullen zijn in de extersiveringsgebieden
in Oost en Midden Nederland
Kennisoverdracht
Als we de hiervoor genoemde productiemethoden als uitgangspunt nemen voor de wijze
en uitvoering van kennisoverdracht dan lijkt de volgende indeling logisch:
De bulkproductie
De huidige vormen van kennisoverdracht zijn vooral gericht op de bulkproductie. Hierbij
spelen de opleidingen op de AOC’s, ondersteund door de IPC’s een belangrijke rol waar
het gaat om de scholing van de toekomstige ondernemers. Voor de ondernemers en
medewerkers in deze sector zijn bij de AOC’s, de IPC’s en het PV voldoende mogelijkheden
om zich te laten bijscholen.
Een zorgelijke ontwikkeling bij deze vorm van kennisoverdracht is de geringe deelname,
zowel bij de scholing als bij de bijscholing.
Het lijkt zeer wenselijk om te komen tot onderwijsvormen die geschikt zijn voor kleine
groepen of zelfs individuele leerwegen.
Samenwerking tussen kennisaanbieders is van groot belang om een goede kwaliteit van
scholing ook in de toekomst te waarborgen.
De biologische varkenshouderij
Ten behoeve van de biologische varkenshouderij is een landelijk project (BIOVAR)
opgestart voor voorlichting en scholing van varkenshouders die overwegen om te schakelen
naar deze vorm van houderij.
Voor de opleiding van toekomstige werkers in deze sector loopt een landelijk project
“afstandsgestuurd leren in de Biologische varkenshouderij”.
Gezien de regio waarin deze houderijvorm zich met name zal ontwikkelen, lijkt het wenselijk
voor deze scholing praktijkcentrum Raalte als centraal punt te handhaven.
De combinatiebedrijven
Ten behoeve van deze vorm van varkenshouderij zijn op dit moment geen duidelijk duidelijke
scholingsprogramma’s beschikbaar. Enerzijds zullen zij gebruik maken van de hiervoor
genoemde scholingsmogelijkheden in de varkenshouderij, anderzijds zullen trainingen
in landschapsonderhoud, huisverkoop en recreatie uitgevoerd worden binnen de incidentele
mogelijkheden via de volwasseneducatie.
Het lijkt wenselijk een aangepast scholingsprogramma aan te bieden dat beter is afgestemd
op deze vorm van ondernemen.
Ook voor deze scholing zou praktijkcentrum Raalte een goede locatie kunnen zijn.
In het algemeen kan gesteld worden dat scholing van zowel leerlingen als volwassenen
het beste uitgevoerd kan worden op een locatie waar theorie en praktijk in een goede
mix kunnen worden aangeboden.
Als het leren via een individuele leerweg een vorm is die in de nabije toekomst meer zal
worden toegepast, zal er een duidelijke behoefte ontstaan aan een centrum van waaruit
dit leerproces wordt aangestuurd en begeleid. Als op dit centrum ook de praktijkcomponent
voor handen is, zodat het theoretisch geleerde in de praktijk kan worden
getoetst, is een optimale leeromgeving geschapen.
Een nauwe samenwerking tussen PV, IPC’s en AOC’s is hiervoor noodzakelijk. Bovendien
is het gewenst in de varkenshouderijgebieden te zoeken naar centra die deze taak
kunnen uitvoeren. De Praktijkcentra Raalte en Sterksel lijken hiervoor geschikt.
Organisatie van de kennisoverdracht
Op dit moment wordt in de Nederlandse varkenshouderijsector door een groot aantal
partijen aan kennisoverdracht gedaan. Spelers op deze markt zijn:
- DLV
- LTO-advies
- De voorlichting van de mengvoederindustrie
- De voorlichters van de slachterijen
- De relatiebeheerders van banken en accountantskantoren
- Wageningen UR
- Faculteit voor Diergeneeskunde
- HASsen
- Praktijkonderzoek Veehouderij afdeling KEM
- IPC Plant Dier
- AOC’s
Hierbij kan worden aangegeven dat de eerste vijf genoemde organisaties zich vooral
bezighouden met de voorlichting en van individuele bedrijven.
De universiteiten en het hoger onderwijs houden zich vooral bezig met de opleiding van
de toekomstige ondersteuners van de primaire sector.
Het Praktijkonderzoek, de IPC’s en de AOC’s richten zich vooral op de ondernemers en
werknemers in de primaire productie. Het gaat hierbij vooral om de opleiding van jonge
mensen die actief in de primaire sector willen gaan werken en de bijscholing van mensen
die al in de sector werken.
Het onderscheid tussen de hier bedoelde instituten is
dat het Praktijkonderzoek vanuit haar onderzoeksopdracht ook de resultaten van dit
onderzoek als kennis op de markt brengt, de IPC’s verzorgen vooral de praktische kant
van de scholing, de AOC’s zorgen enerzijds voor de opleiding van toekomstige werkers
in de sector en anderzijds voor bijscholing van werkers in de primaire sector.
Alle hiervoor genoemde instellingen opereren zelfstandig op de kennismarkt en beconcurreren
elkaar daar zeer nadrukkelijk. In een krimpmarkt, zoals de varkenshouderij, is
dit een ongewenste situatie en een streven tot een nauwe samenwerking lijkt zeer
gewenst. Beperken we ons in dit kader tot die instellingen die zich bezig houden met de
opleiding en bijscholing van werkers in de sector dan lijkt het aangaan van een samenwerkingsverband
tussen het Praktijkonderzoek, IPC plant dier en de AOC’s een belangrijke
stap in de goede richting. Hierbij kunnen dan afspraken gemaakt worden over
expertise, wervingsgebieden, tarieven, enz.
Bij de nadere invulling van de samenwerkingsverbanden zal dan ook rekening gehouden
moeten worden met de hiervoor beschreven ontwikkelingen in de varkenshouderij en de
regionale spreiding hiervan.
Internationale dimensies
In de nota “Voedsel en Groen” zegt het ministerie van LNV dat kennis en innovatie
geen grenzen kent. Multinationale ondernemingen zoeken wereldwijd naar geschikte
locaties voor hun activiteiten, ook waar het gaat om het vestigen van onderzoeks- en
innovatielocaties.
Het kabinet wil de internationale dimensies van het nationale kennis- en innovatiesysteem
versterken, o.a. via bestaande Europese netwerken en via bemiddelend optreden
tussen Nederlandse instellingen en buitenlandse overheden.
In dit kader is het de vraag of de hiervoor beschreven vormen en samenwerkingen op
het gebied van kennisoverdracht beperkt moeten blijven tot Nederland. Als we er van
uit gaan dat Nederland een hoog kennisniveau heeft op het gebied van de
varkenshouderij en dat we de bereidheid hebben deze kennisoverdracht ook beschikbaar
te stellen aan andere EU landen is een verdere verkenning noodzakelijk.
Een land als Spanje zou hierbij als pilot kunnen dienen, vooral ook omdat dit een land is
dat een sterke groei in de varkenshouderij kent en een goede band heeft met de Nederlandse
varkenshouderijsector.
Tijdens het bezoek dat de minister van LNV onlangs heeft gebracht aan Hongarije heeft
hij aangegeven dat hij aandacht wil besteden aan de scholing en begeleiding van de
varkenshouderij in dit land om het land daarmee goed voor te bereiden op toetreding
tot de EU. Wellicht dat kennisoverdracht naar dit land ook het nodige perspectief
geeft.
Samenvatting en aanbevelingen
De varkenshouderij in Nederland zal de komende jaren aan sterke veranderingen onderhevig
zijn. Wet en regelgeving en consumentengedrag zullen een grote invloed hebben
op de toekomst van de sector. Het ministerie van LNV heeft in een aantal beleidsnotities
weergegeven hoe men denkt in te spelen op deze ontwikkelingen.
De varkenshouderij zal zich profileren in ketens die vaak aangestuurd zullen worden
door de retailers en de slachterijen. Waarschijnlijk zullen er een drietal soorten ketens
ontstaan die ieder passen binnen een eigen productiesysteem en die ook ieder gesitueerd
kunnen worden in een eigen gebied van Nederland.
Op het gebied van kennisoverdracht moeten we constateren dat er een grote groep
aanbieders is van kennis op een krimpende varkensmarkt. Deze ontwikkelingen zijn
ongewenst en het lijkt daarom wenselijk om te trachten te komen tot nauwe samenwerking
tussen een aantal gelijkgerichte kennisaanbieders.
Als Nederland een land is met een grote expertise op het gebied van de
varkenshouderij, dan kunnen we deze kennis wellicht ook ten dienste stellen van andere
EU landen. Het beleid van het ministerie van LNV geeft hier de nodige ruimte voor.
Het bestuur van de stichting PRIVON is bezig zich te oriënteren op haar taak (inclusief
inzet van middelen) in de periode vanaf 2003. Bij deze oriëntatie kan zij zich ook bezig
houden met de hiergenoemde punten. Initiatieven die de stichting zou kunnen ondernemen
zijn samen te vatten in de volgende drie kernactiviteiten:
- Stimuleer het ontwikkelen van kennisproducten ten behoeve van de
productiemethodes die zich in de nabije toekomst in de varkenshouderij zullen onderscheiden
- Neem initiatieven om te komen tot een betere samenwerking tussen de verschillende
kennisaanbieders in de varkenshouderij
- Onderzoek de mogelijkheden om te komen tot een gerichte kennisoverdracht ten
behoeve van varkenshouders in Spanje.
Jan Nijholt
Bijlage 2
Projectplan
Project: Krachtenbundeling in de Varkenshouderij
Zorg dragen voor een goede kennisdoorstroming in de varkenshouderij nu en in de toekomst
Opsteller: J.H.Nijholt
Concept: april 2003
Inleiding
In de notitie Kennisoverdracht ten behoeve van de varkenshouderij wordt geconstateerd
dat er op het gebied van kennisoverdracht een grote groep aanbieders van kennis
is op een krimpende varkensmarkt Deze ontwikkeling is ongewenst en het is daarom
wenselijk om te komen tot nauwe samenwerking tussen de verschillende kennisaanbieders.
Het bestuur van de stichting PRIVON wil nu initiatieven nemen om er voor
zorg te dragen dat de kennisoverdracht ten behoeve van de varkenshouderijsector in
de toekomst gewaarborgd blijft.
Doel
Het doel van dit project is tweeledig.
Allereerst zullen de kennisvragen die in de varkenshouderijsector bestaan worden
gedefinieerd middels een bijeenkomst met alle partijen die iets te maken hebben met
kennis op het gebied van de varkenshouderij.
Daarna zal getracht worden alle aanbieders van kennis op het gebied van de
varkenshouderij bijeen te brengen en met elkaar een convenant af te sluiten, waarbij
vastgesteld wordt welke partij welk deel van de kennisexploitatie op zich neemt. Het
gaat hierbij om alle kennis die nodig is om nu en in de toekomst de volledige
varkenshouderijketen optimaal te laten functioneren.
Doelgroep
Indien we er voor willen zorgen dat de komende 10 tot 15 jaar voldoende kennis beschikbaar
is voor alle onderdelen van de varkenshouderijkolom in Nederland en het
aangrenzende Euregio-gebied dan is het nodig om alle partijen die betrokken zijn bij de
overdracht van kennis bij dit project te betrekken.
Het gaat hier dus nadrukkelijk om alle partijen in de kolom, te weten:
- Partijen die direct werkzaam zijn in de kolom:
Mengvoederindustrie, fokkerij-instellingen, slachterijen en de diergezondheidszorg
- Partijen die indirect betrokken zijn bij de kolom:
Praktijkonderzoek Veehouderij, DLV, LTO-advies, WUR, HAO, PTC+ en de AOC’s
Inhoud en werkvorm
Dit project draagt er zorg voor dat eerst wordt geďnventariseerd wat iedere kennisaanbieder
op dit moment doet en wat men gaat doen in de toekomst. Van hieruit zal
worden geconstateerd en geformuleerd welke ontwikkelingen er nodig zijn voor een
gezonde varkenshouderijsector (zowel qua houderij als bedrijfseconomisch).
Na deze fase zullen er trajecten worden uitgezet waarbij de noodzakelijke kennis, voor
een goede toekomst van de varkenshouderij, worden ontwikkeld.
Ook in deze fase zal nauw worden samengewerkt met de klankbordgroep. Tenslotte
zullen afspraken gemaakt moeten worden over wie wat in de markt zal zetten.
Onder de regie van de stuurgroep (het bestuur van PRIVON) zullen de vervolgstappen
worden uitgevoerd door een projectgroep, die zal worden ondersteund door een
klankbordgroep. De projectgroep zal worden gevormd uit vertegenwoordigers van de
primaire sector, de koepelorganisaties en het onderwijsveld. Deze projectgroep staat
onder leiding van de ambtelijk secretaris van het bestuur van PRIVON en de cursuscoördinator.
De projectgroep formeert een klankbordgroep om er zorg voor te dragen
dat haar ideeën gedragen worden door alle schakels van de kolom. De klankbordgroep
dient derhalve te bestaan uit vertegenwoordigers van alle partijen die te maken hebben
met de varkenshouderijkolom, inclusief maatschappelijke organisaties.
Fasering
In dit project zijn de volgende fases te onderscheiden:
| Fase 0: | stel vast welke kennisvragen gedefinieerd kunnen worden |
| Fase 1: | stel vast welke partijen betrokken zijn bij de kennisoverdracht |
| Fase 2: | formeer een projectgroep met daarin vertegenwoordigers van de primaire
sector, het onderzoek en het onderwijs |
| Fase 3: | breng in kaart wat iedere kennisaanbieder op dit moment doet en wat men
gaat doen in de toekomst |
| Fase 4: | formuleer welke ontwikkelingen er nodig zijn voor een gezonde
varkenshouderij in de komende 10 tot 15 jaar |
| Fase 5: | ontwikkel de kennis die nodig is om er zorg voor te dragen dat de
varkenshouderij zich kan ontwikkelen zoals in fase 4 beschreven |
| Fase 6: | maak afspraken ( in de vorm van een convenant) met alle partijen die
zich bezig houden met kennisoverdracht over ieders aandeel in die
kennisoverdracht |
Bijlage 3
3a. Verslag van gesprek met slachterij
In het verleden was de afzet van vlees een kwestie van productie van karkassen en
onderdelen die dan “in de markt gezet”, of afhankelijk van de vraag, in de markt gedrukt
werden. Men is dan producent van grondstoffen voor de verwerkende industrie. Een
markt waar financieel weinig eer te behalen valt. De verkoop van vlees is tegenwoordig
voor een groot deel gebaseerd op een marktconcept. De kopende partij stelt een aantal
kwaliteitskenmerken en kwantiteit kenmerken op. Hierbij kunnen toegevoegde eisen
gesteld worden als huisvestingseisen (groepshuisvesting voor de baconmarkt) en voereisen
(Japanwaardig voer). Iedere afzetmarkt kent zo zijn eigen concept.
De afzet van de verschillende onderdelen kan globaal als volgt worden geschetst:
| Bacon industrie | Retail | Industriële verwerking |
| Hammen | | | xx |
| Middels | xx | | |
| Nekken | | xx | |
| Schouders | | xx | |
| Ribben | | xx | |
Voor veehouders heeft dit tot gevolg men kan kiezen om te produceren voor een marktconcept.
Voorbeelden hiervan zijn de baconproductie (Beren, max. 83 kg gg., groepshuisvesting),
retailproductie, productie Japan. De slachterijen hebben dus belang bij
aanvoer van uniforme dieren. Dieren die voldoen aan het marktconcept en een zo klein
mogelijk spreiding van kwaliteitskenmerken.
Op dit moment wordt de kwaliteit van een
karkas naar de veehouders toe gewaardeerd op basis van vleespercentage, type en
gewicht. Dit zijn aspecten die de uitbetalingprijs beďnvloeden. Door veehouders/voorlichters
worden afgeleverde koppels vaak gewaardeerd op basis van deze gemiddelde
resultaten.
Voor slachterijen is de spreiding van de kwaliteitskenmerken van belang.
Dus spreiding van spierdikte en spekdikte zijn vele malen belangrijker dan een gemiddeld
vleespercentage. Andere belangrijke kwaliteitskenmerken zijn het vochthoudend vermogen
en de kleur van het vlees. Naar veehouders toe is het aflevermanagement dus
belangrijk. Het hebben van koppelkennis wat resulteert in uniforme aflevergewichten,
kleine spreiding in spierdikte en spekdikte en het afleveren op zich wat grote invloed kan
hebben op de kwaliteit van het vlees.(stress voorkomen, nuchter afleveren van dieren).
Op dit moment kunnen veel kenmerken nog niet gemeten worden en/of verwerkt worden
in de uitbetalingsprijs. Via een nieuw kwaliteitsbeoordelingssysteem zal dit in de toekomst
veranderen.
Het prikpistool waarmee nu het vleespercentage bepaalt wordt zal
in de toekomst vervangen door het VISION systeem of het AUTOFOON systeem.
Een systeem dat de dieren op onderdelen gaat waarderen en waar de slachterijen
middels het systeem van uitbetaling naar de veehouders toe gaat sturen naar
productie van die dieren die het meest aan het marktconcept voldoen. Sturing via de
portemonnee van de veehouder is de beste weg om aan de eisen te laten voldoen. Men
moet dan echter wel een goed systeem opzetten waardoor het voor veehouders interessant
is om voor dat marktconcept te gaan produceren.
Op dit moment worden
varkens beoordeeld op een 30-tal aspecten. Een aantal hiervan worden in de
uitbetalingprijs verwerkt. Een groot aantal wordt wel vermeld op de afleveringsbon
maar niet in de uitbetaling verwerkt (long/lever afwijkingen).
Deze kenmerken hebben voor de veehouder wel invloed op de technische en dus economische
waarde van het dier. Hier wordt op dit moment nog steeds te weinig aandacht
besteed gezien het grote aantal afgekeurde longen en levers. Dit is dus een punt van
aandacht. Een deel van de beoordelingsaspecten worden niet vermeld op de bon maar
zijn voor de slachterij wel van grote waarde (kleur van het vlees, watervasthoudend
vermogen).
Vragen :
- Hoe bewust zijn individuele varkenshouders dat ze produceren voor een marktconcept?
- Kennen ze de voorwaarden van dit marktconcept?
- Wordt met het afleveren en selecteren van de dieren hier iedere keer rekening mee
gehouden?
- Is de uitbetalingsprijs de beste stuurmethode van veel kwaliteit- en kwantiteitskenmerken?
- Hoe bewust wordt met de slachtgegevens omgegaan?
Kennisitems die vanuit de Retail belangrijk zijn voor de varkenshouder:
- Ken uw product naar de retail (in verband met de uitbetalingsprijs).
- Kijk beter naar de afleverbon, wat kan ik verbeteren om meer homogene producten
af te leveren en wat zijn de consequenties van de veranderingen voor de bedrijfsvoering
3b. Kort verslag van het gesprek met het PVE
Het PVE richt zich aangaande het marketing gedeelte op het volgende:
- Onderzoek naar de concurrentie positie van de Nederlandse Varkenshouderij,
Pluimveehouderij en Rundvee/Schapenhouderij
- Onderzoek naar de afzet van Nederlandse Veehouderijproducten
- Hoe denkt en doet de Nederlandse consument
- Wat is het gedrag van de Nederlandse consument
- Houdt statistieken en prijsnoteringen bij
- Onderzoekt nieuwe markten
- Hieraan wordt de laatste jaren minder tijd en geld aan besteed / uitgegeven
Op dit moment wordt veel aandacht besteed aan het gedrag van de consument, vindt
er een houdingsonderzoek plaats en er wordt gekeken naar de buitenhuishoudelijke
markt (horeca). Met name wordt er gekeken naar het product bacon.
De Retail heeft geen behoefte aan vaktechnische kennis of kennis op het gebied van de
dierziekte preventie. Het product wat verkocht wordt dient van goede kwaliteit te zijn
en bovenal dient het een veilig product te zijn. Aan certificering van de bedrijven /
producten worden derhalve dan ook de nodige eisen gesteld (PVE-vlees).
Over het algemeen hecht de consument (80 %) weinig waarde aan het gegeven of en in
hoeverre de producten diervriendelijk dan wel milieu vriendelijk wordt geproduceerd.
De biologische markt zal maximaal 20 % bedragen. Mensen kopen dit omdat dit milieu
en diervriendelijk is geproduceerd. Voor de korte en lange termijn is er waarschijnlijk
meer een markt voor gezonde producten ten behoeve van vijftig en zestig plussers (v.b.
Yacult).
Waarschijnlijk zal de markt voor gezonde producten als het gaat om
zuivelproducten groter zijn dan wanneer het gaat om vlees en vleesproducten. Wellicht
is de supermarkt voor de groep op termijn dan ook niet meer in alle gevallen de eerste
winkel waar men de boodschappen haalt.
Nederland is min of meer een bulkproducten markt. De grote en dan met name de
beter dan gemiddelde bedrijven zullen ook op de lange teermijn de concurrentiepositie
met de buitenlandse markt wel aan kunnen. Voor de kleinere bulkbedrijven en de minder
goede grote bedrijven wordt dit een probleem. Met name de kleinere bedrijven zullen op
zoek moeten gaan naar meer toegevoegde waarde voor hun product.
Echter, van een geboden meerwaarde (duurzaam; milieu en diervriendelijk) wordt op dit
moment weinig verteld in de supermarkt. Ook is de kennis op dit gebied niet bij de
supermarkt bekend / beschikbaar. Waarschijnlijk is dit een gevolg van het feit dat maar
10–15% van de consumenten hiervoor belangstelling heeft en dat juist deze 10–15%
reeds over deze kennis beschikt en er derhalve er ook niet naar vraagt tijdens het
winkelen.
De Nederlander is geen chauvinist als het gaat om het kopen van voedsel. Dit betekent
dat de consument geen speciale belangstelling heeft voor het Nederlandse product
c.q. het streekeigen product. Dit ligt overigens geheel anders in landen als Frankrijk en
Duitsland waar men juist veel aandacht besteed aan de herkomst van het product en
waar de consument vaak een uitgesproken voorkeur heeft voor het streekeigen
product. IKB / gecertificeerd voedsel is voldoende.
Waar de consument wel belangstelling voor heeft, bleek uit de plenaire discussie, is
meer info op het etiket en dan met name over de bereidingswijze.
Bij het PVE ligt veel kennis op de plank aangaande consumenten informatie. Een ieder
die in het belang van de sector (kolom) daarvoor belangstelling heeft kan daarover
beschikken.
Voorts worden er ca 80 abonnementen uitgegeven aangaande het gedrag van de consument
en worden er jaarlijks aangaande de houding van de consument minimaal twee
concurrentienota ’s geschreven (stapel / aanbod /prijs / internationale ontwikkelingen /
statistieken / e.d.)
Bijlage 4
Samenvatting verslagen vragenrondes met studieclubs varkenshouderij
Vragen als ondernemer:
- Kennis halen bij uitgebreid netwerk, variërend van commerciële sector tot overheid;
collega’s en vakbladen.
- Veel kennis niet bij onderwijsinstellingen omdat de kennis zeer snel veroudert.
- Kennisinstellingen vooral belangrijk voor onderstaande items:
- Management /leidinggeven wordt belangrijker
- Brede algemene ontwikkeling nodig ; naast vakkennis
- Inzicht hebben /verbanden kunnen leggen
- Hoe omgaan met marktconcepten?
Vragen t.a.v. opvolger
- Tijdens opleiding aandacht voor ondernemersvaardigheden naast vakkennis
- Weten waar je de kennis kunt halen /netwerken
- Economische cijfers kunnen toepassen in de praktijk
- Omgang met personeel wordt belangrijker
Vragen t.a.v. medewerker
- Teamlid /klankbord zijn voor de ondernemer
- Vakkennis en werkhouding belangrijk
- In sommige groepen is personeel geen issue; zij gaan uit van gezinsbedrijven
Rol studieclubs
- Onderlinge bedrijfsbezoeken
- Onderlinge cijfers bespreken /analyseren
- Inleiders vragen:
- Accountantskantoor (boekhoudrapport bespreken)
- Voerleverancier
- Verzekering / bank
Bijlage 5
Gescoorde kennisvragen per schakel in de kolom
Consument /retail
Marktconcepten
Afzetmogelijkheden /deelmarkten
Strategie van kleinere varkensbedrijven
(deelname aan korte ketens;
huisverkoop etc)
Als afgeleide daarvan:
Toevoegen waarde
Veilig product (vanuit dier)
Kwaliteit product
Gezond product (vanuit consument)
Communicatie naar consument
• achtergrond product
• bereidingswijze
Slachterij /vleesverwerker
Marktconcepten
Als afgeleide daarvan:
Kwaliteit karkas
Kwantiteit
• aantal dieren
• vlees/vetverhouding
Uitbetalingssysteem
Afleverstrategie
Verder nog:
Bewustwording varkenshouder t.a.v.
slachtgegevens en invloed op bedrijfsvoering
Personeelsbeleid in de slachterij
Varkenshouders
Ondernemer
Korte termijn:
Optimaliseren productieproces
Diergezondheid
Implementatie vernieuwingen in eigen bedrijf
Communicatie
• personeel
• externen
Bedrijfsinterne milieuzorg
Bedrijfsresultaten interpreteren
In /outs van automatisering
Wet - en regelgeving
|
Lange termijn
Oriëntatie op ontwikkelingen binnen en
buiten de sector
Formuleren van visie en doelstellingen
voor eigen bedrijf
• zelfontplooiing
• motivatie personeel
Wet - en regelgeving (w.o. reconstructie)
Energie
Personeelsbeleid
Bewustwording van positie in de keten
Samenwerking
Opvolger
Hij / zij moet geleidelijk groeien in de rol
van ondernemer.(zie voorgaande items)
Op dit moment moet hij onderstaande
zaken leren:
• KVA (kennis /vaardigheden /attitude)
• basiskennis op operationeel niveau
• kennis van ondernemersschap
• communicatie (incl. vreemde talen)
• omgang met personeel
• zelfkennis
• hoe leer ik leren?
Medewerker
Vaktechnische kennis
• algemeen
• specialisatie
Overzicht over bedrijfsgebeuren
Kennis van Arbo en veiligheid
Sociale vaardigheid en assertiviteit
Zelfstandigheid
Communicatie
• intern
• extern
Zelfontplooiing
Studieclubs
Koppeling tussen diverse schakels ONO
(onderzoek - netwerken - onderwijs)
|
Bijlage 6
Leden stuurgroep krachtenbundeling (Privon)
J. Scholtens namens LTO-Noord
H. de Lange namens LTO-Noord
T. Geuyen namens De Landstede
T. Westerhof namens AOC-Oost
J. Potijk namens ABCTA
G. Brummelman namens LNV Oost
Projectgroep
J. Nijholt namens Privon
H. Brummelhuis namens Privon
B. Rankenberg namens Hogeschool Larenstein
A. Pasman namens Hogeschool Dronten
G. v.d Linde namens PTC+
H. Kuenen namens PTC+
K. Bouma namens AOC De Groene Welle
J. Damhuis namens AOC- Oost
A. Claassen namens LTO- Noord
L. Pronk namens de Landstede
A. Vernooij namens A.S.G/ Praktijkcentrum
D. ter Braak namens Dierenarts
Adressen
Privon
postadres:
Postbus 19
7600 AA Almelo
bezoekadres:
Bornerbroeksestraat 348
7609 PH Almelo
telefoon:
0546 - 834225
e-mail:
jhnijholt@hetnet.nl
|